Wie ook de volgende paus wordt, de goede raad van de Vlaamse editorialisten aan de Heilige Vader is reeds bekend: "Vooral niet moraliseren. Neem een voorbeeld aan onze Godfried."
De voorbije weken werd het grote verschil duidelijk tussen Vlaanderen en de wereld. In Vlaanderen bestond er voor de overleden Johannes-Paulus II beduidend minder sympathie dan elders. Toch is er geen land waar de katholieke zuil zo sterk staat als bij ons. Bijna 80% van de Vlaamse jeugd komt uit het katholiek onderwijs. Zelfs Fientje Moermansk stuurt haar dochter naar een katholiek internaat. Fientje, die ik al ken uit de jaren toen we als student beiden het Gentse Politiek Konvent bijwoonden, legt elke ochtend een paap tussen haar boterham. Ze weet drommels goed dat ze het "gevaar" niet loopt dat haar dochter als een gelovige uit het katholiek onderwijs komt.
De katholieke teloorgang in onze contreien heeft te maken met het spreekwoord "wiens brood men eet, diens woord men spreekt." Het hele katholieke apparaat wordt in ons land door de staat gesubsidieerd. Een andere waarheid, waar Amerikanen zich zeer van bewust zijn, luidt: De staat is uw vijand. Wie zich met de staat inlaat, wordt erdoor gecorrumpeerd. Het is niet zo dat als kerk en staat met elkaar verweven raken, de staat de belangen van de kerk gaat dienen; het omgekeerde gebeurt.
Helaas denkt de in het katholiek onderwijs opgegroeide en geïndoctrineerde Vlaming dat een scheiding tussen kerk en staat noodzakelijk is om de staat tegen de kerk te beschermen. Hij beseft niet dat deze scheiding integendeel noodzakelijk is om de kerk te beschermen tegen de staat. Niet de kerk bedreigt de staat, maar de staat bedreigt de kerk.
De kerk heeft het recht, ja zelfs de plicht, om te moraliseren. Telkens een politicus, een ambtenaar, een leraar zich bij ons door zijn gelovige overtuiging laat leiden, schreeuwt de door de staat geïndoctrineerde Vlaming dat dit een bedreiging vormt voor de scheiding van kerk en staat. De droeve realiteit is dat we vandaag in een land leven waar staatsgesubsidieerde prelaten hun plicht verzuimen door niet langer te moraliseren. Bijgevolg hebben politici, ambtenaars en leraars het morele vacuüm gevuld met het prediken van de moraal van de staat.
Aldus is het bijbrengen van normen een taak geworden van de overheid, die via zogenaamde aids- en condoomcampagnes de jeugd moreel conditioneert en de burgers voorschrijft hoe zij zich in de slaapkamer moeten gedragen. De kerk heeft het recht om haar gelovigen een seksuele moraal voor te houden, maar de staat heeft dat recht niet. Onze geïndoctrineerde bevolking aanvaardt evenwel de morele usurpatie door de staat, terwijl ze de paus beschimpt omdat hij de katholieke moraal verkondigt en niet de geseculariseerde staatsmoraal. Deze ontsporing doet zich overal in de Westerse wereld in mindere of meerdere mate voor, maar is nergens zo schrijnend als bij ons. Dat komt ongetwijfeld omdat bij ons de kerk al 175 jaar de lakei van het regime is.
Lode Claes vertelde ooit dat de situatie van de Vlamingen er heel anders uit zou zien indien er in Vlaanderen 15 procent protestanten leefden. Hij bedoelde daarmee dat de symbiose tussen kerk en staat in België ook een nefaste invloed heeft gehad op de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Het flamingantisme is steeds een bedreiging geweest voor de Belgische staat. De Vlaams-nationalisten zagen de Belgische staat als hun vijand. Al beschouwden vele flaminganten in de Belgische staat vooral het Belgische aspect als de vijand, en niet zozeer het staatsaspect, in de ogen van het establishment waren België en staat wel degelijk hetzelfde ding. Vandaar dat het Belgische nationalisme in het begin van vorige eeuw een verbond smeedde met het socialisme. Koning Albert I merkte zeer terecht op dat de socialisten de natuurlijke bondgenoten van het belgicisme waren. "Er liggen drie vijanden rond mijn troon," zo schreef hij: "Conservatieven die tegen de staat zijn, Vlaamse aktivisten die tegen de monarchie en de Belgische natie zijn, en katholieke demagogen. Om me tegen hen staande te houden, kan ik alleen rekenen op de steun van het socialisme, want dat is nationaal, voorstander van Belgische eenheid en voorstander van centralisme - drie elementen die het tot bondgenoot van de dynastie maken."
Met "conservatieven" bedoelde Albert anti-staat-liberalen, of conservatieven in de hedendaagse Angelsaksische betekenis. Met de "katholieke demagogen" bedoelde hij mensen die de Kerk belangrijker vinden dan de Mammon, niet de officiële Belgische kerk die zich reeds in 1831 door het regime liet inkapselen.
Leopold I had met de kerkelijke hiërarchie afgesproken dat België de materiële belangen van de kerk zou verdedigen indien de kerk de gelovigen tot onderdanigheid aan de staat zou aanmanen. Dat ging zo ver dat Leopold het hele onderwijs in handen van de bisschoppen wilde leggen. "Als ik erin slaag om het onderwijs aan de bisschoppen toe te vertrouwen en te onttrekken aan het toezicht van de gemeenteraden die zich in mindere of meerdere mate door liberale intriges laten leiden, dan zal ik de toekomst van België hebben veilig gesteld en de godsdienst een grote dienst hebben bewezen," schreef hij.
Wat de toekomst van België betrof, was Leopold inderdaad een visionair. Maar hoewel de materiële belangen van de Belgische kerk door het regime een grote dienst werden bewezen, was dat voor de godsdienst niet het geval. Vandaag is het onderwijs inderdaad in handen van de bisschoppen. De belangen van de Belgische staat worden er gediend, maar de religieuze vorming is zodanig dat zelfs rabiate logebroeders er hun kinderen "risicoloos" aan kunnen toevertrouwen. De jeugd verlaat de school met de overtuiging dat alleen de Belgische staat mag moraliseren, maar de kerk niet. Wat ze wel leren is dat België een baken van solidariteit is, het summum van vreedzaam samenleven, een moreel voorbeeld voor de wereld.
13/04/05
