Vorige week had ik het over generaal Jakob Van der Smissen (1788-1856). Deze Brusselaar nam als soldaat in het leger van Napoleon deel aan de veldtocht in Rusland. In 1814 werd hij majoor bij de Nederlandse artillerie en vocht in de slag van Waterlo aan de zijde van de geallieerden tegen de Fransen. Daarbij speelde de divisie onder zijn bevel een zodanig cruciale rol dat Van der Smissen na de veldslag door koning Willem in de adelstand werd verheven.
In 1830 koos baron Van der Smissen aanvankelijk de zijde van de Belgische opstandelingen. Hij was niet de enige Vlaming die dat deed. De meest bekende was de Bruggeling Louis De Potter (1786-1859). De Zuid-Nederlanders wilden geen totale breuk met het Noorden, maar verzetten zich tegen het centralistische staatsgezag. Ze verlangden een meer federale structuur. Die lag overigens in de lijn van de eigen staatstraditie. Zowel het Noorden als het Zuiden waren tot 1789 confederaties. De Potter was bovendien een republikein, en ook dat lag in de Nederlandse traditie.
Al spoedig bleek dat het jonge België een kloon van Frankrijk was, nog centralistischer dan het koninkrijk der Oranjes was geweest. Van der Smissen was in 1841 betrokken bij een poging tot orangistische staatsgreep en sleet de rest van zijn dagen in ballingschap. De Potter, lid van het Voorlopig Bewind, nam reeds in november 1830 ontslag en vluchtte in februari 1831 naar het buitenland uit vrees voor zijn leven. U zal het niet lezen in de obligate boeken die dit najaar verschijnen om de 175ste verjaardag van België te herdenken, maar dit land ontstond in een klimaat van repressie en terreur.
De Potter moest de wijk nemen omdat hij de meest bekende en meest populaire voorman van de Belgische opstandelingen was. De kreet "Vivat De Potter" klonk in 1830 tot ver in (Noord-)Nederland. De andere leden van het Voorlopig Bewind wilden verhinderen dat De Potter zich tot president van een democratische Belgische Republiek zou laten plebisciteren. In 1839 stelde De Potter verbitterd dat er in de nieuwe staat minder vrijheid was dan vroeger onder koning Willem, en dat "Noord en Zuid herenigd moeten worden, met of zonder het Huis van Nassau."
De Belgicistische Coburg-vazal Sylvain van de Weyer (1802-1874), geboren Leuvenaar en ambassadeur van Leopold I in Londen, heeft een lemma in de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging. Het is verbazend dat mensen zoals generaal van Geen (zie vorige week), Van der Smissen, De Potter, dat niet hebben. Dat komt omdat velen de Vlaamse Beweging niet wensen te zien als wat zij ten diepste is, namelijk een Nederlandse Beweging. Men beschouwt het Vlaams-nationalisme slechts als een kind van België, terwijl onze Nederlandse wortels veel ouder zijn.
Die weigering om onszelf in een Nederlands perspectief te plaatsen is, zoals Edwin Truyens terecht opmerkt in het jongste nummer van Kort Manifest, onze zwakheid. Truyens schrijft dat hij 25 jaar geleden, in het vorige Belgische jubeljaar, lid was van het "Comité Vlaanderen ons Vaderland," maar dat hij zoiets vandaag niet meer zou doen tenzij zo'n comité "Nederland ons Vaderland" heet. "Ik ben er vast van overtuigd dat de vervlaamsing van onze Beweging en de vervreemding van onze Nederlandse wortels de hoofdreden is waarom wij er nog altijd niet in geslaagd zijn om la belgique naar de geschiedenis te verwijzen," aldus Truyens.
De weigering om onze Nederlandse wortels te erkennen, zorgt er eveneens voor dat de Vlaams-nationalisten zich voortdurend onledig houden met het zoeken naar een ideologie. Indien zij hun geschiedenis kenden, dan zou het Vlaams-nationalisme ongetwijfeld ijveren voor een staatsordening die nauw aansluit bij onze middeleeuwse tradities van confederale decentralisatie en directe democratie; dan zouden zij een onafhankelijk Vlaanderen voorstaan dat zelf een bond zou zijn van stadsstaten en regionale kantons met volksraadplegingen die de burgers direct in het beleid laten participeren. Vandaag hebben we een Vlaamse deelstaat die op zijn beurt even centralistisch is als het oude België; een Vlaanderen dat een kloon is van België, zoals België een kloon is van Frankrijk.
Indien we wél Nederlands dachten, dan zou onze nationale Beweging, naast een rechtse poot, ongetwijfeld ook een stevige linkse stroming hebben gehad. De Potter behoorde immers tot die strekking. Hij begon als kerkhistoricus, deed tijdens een verblijf van 1811 tot 1823 in Italië, liberale gedachten op, maar werd na 1830 socialist. Dat laatste gebeurde onder invloed van alweer een Vlaming waarvan het bestaan vandaag nagenoeg geheel vergeten is: Hyppolite Colins de Ham (1783-1859).
Colins de Ham, een geboren Brusselaar, was een bastaardzoon van Jan-Willem Colijns, baron van Ham. Hij diende in het leger van Napoleon, baatte van 1818 tot 1830 een plantage uit op Cuba en vestigde zich nadien in Parijs. Colins de Ham is een van de grondleggers van het rationele socialisme. De grootste propagandisten van zijn ideeën in ons land waren De Potter, maar vooral diens zoon Agathon De Potter (1827-1906).
Na de Franse revolutie van 1848, waarin Colins niet geloofde, werd hij als staatsgevaarlijk gearresteerd en naar Algerije verbannen. Een jaar later mocht hij naar Parijs terugkeren. Dat wedervaren doet denken aan het lot van de Gentse advocaat en persoonlijke vriend van Karl Marx, Karel Spilthoorn (1804-1872). Die bepleitte reeds in 1829 dat er aan de Vlaamse gerechtshoven uitsluitend Nederlands gebruikt mocht worden, steunde aanvankelijk de opstand van 1830, werd door het Voorlopig Bewind tot regeringscommissaris voor Oost-Vlaanderen benoemd, maar viel als republikein snel in ongenade. In 1848 werd hij door het Belgische regime ter dood veroordeeld. Na zeven jaar dodencel liet Leopold I hem in ballingschap naar Amerika vertrekken. In 1869 mocht Spilthoorn terugkeren op voorwaarde dat hij niet meer aan politiek deed. Hij staat wel in de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging.
05/01/05
