Morgen (9 juni) spreekt de Chileense economist José Piñera in Brussel als centrale gast op een colloquium over pensioenen. Naast minister van Pensioenen Bruno Tobback, nemen ook vertegenwoordigers van de zogenaamde "sociale partners" aan het colloquium deel. Siegfried Bracke modereert. Hij doorbreekt daarmee een nieuw cordon rond "extreem-rechts," want Piñera was 25 jaar geleden minister van Sociale Zaken in het Chili van Augusto Pinochet. Ik kan me vergissen, maar voor zover mij bekend ontmoette Piñera tot dusver nog maar één Vlaamse politicus: een politica van het Vlaams Blok.
Nu Robert Stevaert het zinkende paarse schip verlaten heeft, mag de kleine Tobback ook naar andere landen kijken dan Cuba. Rijkelijk laat, overigens, want de hervormingen die Piñera in 1980 in Chili doorvoerde, werden reeds overgenomen in Zuid-Amerika, Oost-Europa, Australië en Zweden. Bovendien inspireren ze momenteel de regering-Bush in de VS.
Chili voerde in 1980-81 een pensioenhervorming door waarbij van een repartitiestelsel werd overgestapt op een kapitalisatiestelsel. Een repartitie- of herverdelingsstelsel is een stelsel zoals het onze: de overheid betaalt de gepensioneerden met geld dat de staat afpakt van de beroepsactieven. Zo'n systeem werkt zolang het aantal beroepsactieven toeneemt (of gelijk blijft) ten opzichte van het aantal gepensioneerden. Maar wanneer het aantal gepensioneerden groeit ten opzichte van het aantal actieven, wordt de last op de actieven steeds groter. Op een bepaald ogenblik stort het systeem in elkaar. Dan worden de jongeren zodanig belast dat werken niet meer loont. Vandaag staan wij aan de vooravond van zulke implosie.
Onze politici kennen het probleem al jaren, maar de vaders schoven het probleem door naar de zonen. Zo zadelde de grote Tobback de kleine Tobback met de hete aardappel op. Pinochet was een betere vader. Hij gaf Piñera een kwarteeuw geleden in Chili de vrije hand om een systeem in te voeren waarbij de actieven niet langer moeten betalen voor de gepensioneerden van vandaag, maar geld opzij zetten waarmee hun eigen pensioen later betaald zal worden. Dit geld komt op een persoonlijke pensioenspaarrekening en wordt belegd. Deze kapitalisatie levert opbrengsten op die ervoor zorgen dat het pensioenspaarpotje gestaag groeit.
De werknemer mag kiezen bij welk privaat pensioenfonds hij zijn persoonlijke pensioenrekening opent. Zijn werkgever moet op die rekening elke maand 10% van het brutoloon storten. Aan een netto-opbrengst van 4% gedurende de hele actieve loopbaan, levert dit een werknemer een pensioen op van 70% van zijn laatste loon.
Indien de Chileen het wil, mag hij extra stortingen doen tot 20% van zijn loon. Daarop moet geen inkomstenbelasting betaald worden. Extra stortingen geven een recht op een hoger pensioen of de kans om vervroegd met pensioen te gaan. Het pensioenfonds moet de werknemer om de drie maanden een overzicht van zijn persoonlijke pensioenrekening sturen. Daaruit blijkt hoe het fonds gepresteerd heeft in het beleggen van het geld. Als een Chileen ontevreden is over zijn fonds, kan hij van fonds veranderen en zijn kapitaal meenemen. De fondsen concurreren met elkaar en zijn private instellingen. De overheid ziet erop toe dat zij alleen aan pensioenbeheer doen en dat ze geen gevaarlijke beleggingsrisico's nemen.
Wanneer een Chileen met pensioen gaat, zal het fonds hem maandelijks minstens 70% van zijn laatste loon moeten uitbetalen. Al het geld dat op zijn rekening staat en dat hoger is dan het bedrag dat het fonds nodig zal hebben om deze som uit te betalen, mag de Chileen volledig opnemen. Het geld is immers van hem. Dat is het grote verschil met het repartitiestelsel bij ons, waar de overheid geld van ons afneemt in ruil voor een belofte dat de staat ons later een pensioen zal betalen met geld van anderen. De Chileen mag zijn geld echter ook laten staan en zichzelf een hoger maandelijks pensioen laten uitbetalen. Indien er bij zijn overlijden nog geld over is, gaat dit naar zijn erfgenamen. Het was immers zijn geld, niet dat van de staat.
José Piñera garandeerde de Chilenen bij het begin van zijn hervorming dat niemand er slechter van zou worden. Daarom mochten de burgers bij de invoering van het nieuwe stelsel op 1 mei 1981 kiezen of zij onder het oude repartitiestelsel wilden blijven of overstappen op het nieuwe systeem. Wie overstapte, kreeg, ter compensatie van zijn vroegere repartitiebijdragen, van de overheid een obligatie met een reële rente van 4% die geboekt werd op zijn nieuwe pensioenrekening. Wie na 1981 op de arbeidsmarkt kwam, begon automatisch in het nieuwe stelsel.
Tegenstanders wijzen erop dat de Chileense pensioenfondsen vandaag excessieve beheerskosten hanteren die oplopen tot 20% van de premies. De Belgische aanvullende private pensioenfondsen werken met een kostenmarge die nog geen tiende daarvan bedraagt. Deze kritiek betekent niet dat het kapitalisatiemodel verkeerd is, maar wel dat er vandaag veel corruptie is in Chili.
Het sociaal-democratische Zweden was niet te beroerd om een voorbeeld te nemen aan het Chili van Pinochet. Zweden voerde in 1998 een door Piñera geïnspireerde pensioenhervorming in. Het werd een gemengd systeem waarbij repartitie en kapitalisatie naast elkaar bestaan. De Zweden moeten 18,5% van hun inkomen opzij zetten voor pensioenen. Daarvan wordt 16% door de staat gebruikt om, middels repartitie, de huidige gepensioneerden te betalen, terwijl de overige 2,5% gestort wordt op een persoonlijke pensioenrekening van de werknemer. Dankzij deze hervorming zal tegen 2030 slechts 16,5% van de Zweedse inkomens naar pensioenlasten gaan, terwijl dit 26% zou zijn indien het oude stelsel van volledige repartitie was behouden. Bij ons is het dringend tijd het roer om te gooien. Komaan, Bruno, wees socialer dan papa: liberaliseer de pensioenen!
30/05/05
