Een tijdje geleden promoveerde Paul Belien tot doctor in de politieke wetenschappen aan de Universiteit van Buckingham (Groot-Brittannië). Zijn proefschrift handelde over een toepassing van de Public choice-theorie - een tak van de economie die zich inlaat met de waarschijnlijkheid van het overheidsbeleid in een gegeven politieke situatie - op België. In het kader van dit onderzoek vergaarde hij heel wat informatie over de geschiedenis van dit land en meer in het bijzonder over de Saksen-Coburgers, dat benijdenswaardige geslacht dat de wereld ons benijdt. Stevig roeren in deze uitgebreide informatietrommel leidde tot A Throne in Brussels.
Het is dus vooral het verhaal van het geslacht van de Saksen-Coburgers dat hier gebracht wordt. Met een gezonde aandacht voor sappige anekdotiek, licht Belien het leven van de zes Belgische monarchen toe, maar regelmatig legt hij ook de link met enkele kenschetsende politieke kwesties. Zoals men zich geen Leopold II zonder Kongo kan inbeelden, zo is het verhaal van Albert I verbonden met de Frontersbeweging, zoals dat van zijn opvolger aan de Koningskwestie gekoppeld is.
Paul Belien maakt tijdens het brengen van het vlotte verhaal van de zes koningen regelmatig zijsprongetjes waarin hij deze koortsmomenten uit de Belgische politiek toelicht. Voor een Vlaamse lezer komt dit misschien wat vreemd over, maar als je weet dat dit boek vooral voor een internationaal publiek (en dan vnl. Brits) bestemd is, wordt de logica van deze structuur snel duidelijk.
Dit is het aanlokkelijke verhaal van de Coburg-familie en de politieke context rond hun troon. Maar Belien zou Belien niet zijn als hij er geen boodschap in zou stoppen. België is een kunstmatige staat, zoveel is zeker. Ook Leopold I kwam al snel tot die bevinding, tot spijt van de volgelingen van Pirenne & co die er bij wijlen in slagen al een België ten tijde van de tocht naar Canossa te ontwaren. En dit kunstmatige karakter zorgde ervoor dat op zoek moest worden gegaan naar een fundament voor het prille koninkrijk.
Leopold I die als protestant toch een grote bewonderaar van de Habsburgers was, zocht dit in de monarchie en het katholicisme.Voor Leopold II werd dit het nationalisme, wat zich in de 19de eeuw in kolonialisme vertaalde. Albert I gooide het zoeken naar een fundament opnieuw over een andere boeg. Hij sloot een akkoord met de socialisten ("the red prince") en legde op die manier de bouwstenen van de latere welvaartssstaat en het typisch Belgische corporatisme. Zelf verwoordde hij het als volgt (vertaald uit het Engels): "Drie vijanden liggen rond mijn troon. Conservatieven die tegen de staat zijn, Vlaamse activisten die tegen de monarchie en tegen de Belgische natie zijn, en demagogen die neigen naar een zeker katholicisme gelijkend op de Franse volkse democratie. Om hen te weerstaan kan ik enkel rekenen op het socialisme dat nationaal is, welwillend staat tegenover de Belgische eenheid en tegenover het centrale bestuur - drie elementen die het socialisme tot een bondgenoot van de dynastie maken."
De gevolgen van deze alliantie mogen niet onderschat worden. Beliens besluit luidt dan ook dat het feit dat België vandaag de dag nog bestaat aan twee zaken te wijten is: de corporatistische welvaartsstaat die een vergaande corruptie heeft teweeggebracht en de monarchie die het land een haast mystieke indruk van eenheid moest geven. Was het niet Louis Tobback die ooit verklaarde in een homogeen land republikein te zijn,"maar niet in België". Op een zeldzaam nuchter moment vijf jaar geleden onderstreepte Claude Eerdekens dat "de monarchie de laatste dam tegen het oprukkend Vlaams imperialisme is". Er zit meer achter die uitspraken dan men zou denken.
Maar Belien legt ook de link tussen het verhaal van de Belgische staat en de Europese constructie. Twintig jaar geleden schreef Lode Claes in De afwezige meerderheid dat België een "identiteit van non-identiteit" bezat. "Neobelgicisten zien daarentegen de afwezigheid van een identiteit als de opperste moraal", voegt Belien er aan toe. Precies omdat België voor niets staat, kan het makkelijk door iets anders vervangen worden. En dat `iets anders' zou wel eens de Europese Unie kunnen zijn. De Belgen zouden geen Europeanen worden, maar de burgers van dat Europa zouden... Belgen moeten worden.
Het is niet ondenkbeeldig dat de verdergaande Europese eenmaking tot een situatie zal leiden waarin de Britten de plaats innemen die de Vlamingen in 175 jaar België ingenomen hebben, besluit hij. Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke waarschuwing het Britse eurosceptische publiek als muziek in de oren zal klinken. Of hoe uit het surrealisme van de Belgische realiteit een waarschuwing tegen de evolutie van de Europese Unie kan worden afgeleid.
