F.A. von Hayek is de filosoof bij uitstek die een brug kan slaan tussen liberalisme en christendom. Onze christendemocratische politici blijven echter liever vasthouden aan "socialistische" zelfoverschatting.
Van 1973 tot 1981 verscheen in Vlaanderen het tweemaandelijkse jongerentijdschrift Alternatief. Het blad, gesticht door Vik van Brantegem, toen een jonge medewerker van Oostpriesterhulp en thans adjuct-woordvoerder van het Heilige Stoel in Vaticaanstad, richtte zich tot jonge intellectuelen. Het hield zich vooral met maatschappelijke en politieke problemen bezig maar had één grote handicap: het was te ver op zijn tijd vooruit. Dat is een van de ondankbaarste posities die er zijn. Wie te ver op zijn tijd vooruit is, wordt altijd verweten op zijn tijd ten achter te zijn.
Dat ondervond niet alleen Vik van Brantegem maar ook de tweede hoofdredacteur, Fernand Keuleneer, toen student aan de KUL en thans advocaat in New York City. Anno 1990 zou Alternatief zeker een kans maken, maar tien jaar geleden moest de uitgave door de derde hoofdredacteur, toen student aan de RUG en thans auteur van dit artikel, wegens financiële moeilijkheden worden gestaakt.
In maart 1980 verscheen in Alternatief een artikel van Chris Hocepied, toen student aan de RUG, thans ambtenaar bij de EG, onder de titel "De tweede jeugd van von Hayek." De katholieke kring rond Alternatief was een van de eerste middens in Vlaanderen waar de ideeën van Friedrich August von Hayek (Nobelprijs voor economie in 1974) werden verspreid. Men heeft het vaak, vooral in progressieve middens, over de "gemiste kansen" van de Kerk. Een van die kansen is zeker Hayek. Christelijke studentenmiddens in Vlaanderen hielden zich tien jaar geleden liever bezig met Daniel Ortega en de gebroeders Boff dan met neo-conservatieve filosofen.
Vandaag stelt men dan ook vast dat de neo-conservatieven in Vlaanderen door de liberalen zijn geannexeerd. De grote bewonderaar van Hayek heet Verhofstadt en niet Van Rompuy. Neo-conservatieve denkers zoals Hayek, Karl Popper, Raymond Aron, Isaiah Berlin e.a. nemen in het onlangs verschenen boek Filosofen van het hedendaagse Liberalisme een prominente plaats in.
Neo-conservatieven zijn een kruising tussen conservatieven en liberalen. Men kan hen ook "neo-liberalen" noemen, zoals een van hen, de Amerikaanse katholieke theoloog en economist Michael Novak bij voorkeur doet. De benaming is op zich niet zo belangrijk. Belangrijk is de inhoud.
"Volgens Hayek," zo zei de Amerikaanse katholieke economist Julien Simon op het Congres van het Gezin twee jaar geleden in Brussel, "zijn voor een vrij, marktgeleid economisch systeem twee instellingen van vitaal belang: de privé-eigendom en het gezin." Neo-conservatieven achten zowel de vrije markt als de traditionele morele waarden en instituties van levensbelang voor een menswaardige maatschappij.
Een van Hayeks voornaamste stellingen luidt dat de maatschappij voor haar functioneren en zelfs voor haar voortbestaan afhankelijk is van een cultureel systeem van zeden en gewoonten dat het resultaat is van traditie, d.w.z. de ervaring die gedurende lange tijd is opgebouwd door tal van generaties. "Daarom legt hij," zo schreef Matthias Storme (Alternatief, augustus 1981), "de nadruk op de niet steeds vermoede betekenis van gegroeide waarden en instellingen. Het zijn de waarden uit naam waarvan onze tradities dikwijls bekampt worden (zoals de democratie), die aan die traditie hun mogelijkheid te danken hebben."
"Wat Hayek bedoelt," stelt Filosofen van het hedendaagse Liberalisme, "is dat er bepaalde waarden zijn, door hem basic principles of long-term principles genoemd, die een hoger recht behelzen en die niet door de meerderheid die het op een bepaald moment voor het zeggen heeft, zomaar kunnen worden genegeerd of zelfs afgeschaft."
Hoewel Hayek (geb. 1899) een economist is en geen theoloog is het duidelijk dat er onmiddellijk een verband gelegd kan worden tussen zijn stelling en de christelijke leer. De katholieke Engelse apologeet, G.K. Chesterton (1874-1936), definieerde traditie als "the democracy of the dead." Hij bedoelde daarmee dat de hedendaagse mens niet moet denken dat hij verstandiger is dan zijn voorouders en dat hij het zoveel beter weet. Hij moet integendeel de gecumuleerde kennis van de voorbije generaties, zoals zij in traditionele waarden en instellingen tot ons komt, hoger achten dan zijn eigen inzichten. Hij moet a.h.w. "stemrecht" geven aan zijn voorouders door de instellingen die zij ontwikkelden zoveel mogelijk intact te laten.
De grootste zonde die de mens volgens de christelijke leer kan bedrijven is deze van de hubris, de hoogmoed, de zelfoverschatting. Dat is ook de mening van Hayek, die keer op keer de beperktheid en de onvolmaaktheid van de menselijke rede benadrukt. Daarom ook wil hij dat de overheid zich zoveel mogelijk buiten het economisch proces houdt, omdat het algemeen belang er méér mee gediend is wanneer elk individu zijn eigen gezond verstand mag volgen dan wanneer enkelen (m.n. politici, al dan niet democratisch verkozen) gaan bepalen wat best is voor allen.
In zijn recentste boek The Fatal Conceit (De noodlottige hoogmoed), verschenen in 1988, zet Hayek zich af tegen de rationalistische, constructivistische theorie van de Franse Verlichting, die niet alleen elke vorm van tradities afwijst maar bovendien pretendeert dat de zuivere rede rechtstreeks in de menselijke behoeften kan voorzien en geheel op eigen kracht een nieuwe wereld, een nieuwe moraal, nieuw recht en zelfs een nieuwe taal kan creëren. Volgens Hayek lag dit constructivisme aan de grondslag van zowel socialisme, communisme als nazisme, en beheerst het ook vandaag nog steeds het denken van de meeste kunstenaars en intellectuelen.
Hayek staat bijzonder wantrouwig tegenover al wie via de politiek de maatschappelijke en morele orde wil wijzigen. Verklaringen zoals die van de Nederlandse minister van Justitie, de christen-democraat Ernst Hirsch Ballin - "De belangen van een wettelijk gehuwd paar zijn dezelfde als die van een ongehuwd stel van gelijke of ongelijke kunne. De overheid heeft als taak erop toe te zien dat die gelijkberechtiging in acht wordt genomen. Bijvoorbeeld in geval van woontoewijzing." - zou Hayek radicaal verwerpen: de overheid heeft er zich niet mee te bemoeien wanneer een verhuurder zijn woning niet aan een homoseksueel koppel wenst te verhuren, omdat het niet de taak is van de overheid om de maatschappelijke acceptatie van homofilie (of welke andere levensstijl dan ook) te bevorderen.
Hayeks culturele conservatisme blijkt ook uit zijn bijdrage in het vorig jaar verschenen boek Thinking about America: The United States in the 1990s. "Het conflict tussen onze instincten en de morele tradities die deze instincten moeten beteugelen, komt tot uiting in de scheiding die tegenwoordig vaak getrokken wordt tussen bepaalde vormen van ethische en politieke filosofie aan de ene kant en economie aan de andere kant," aldus Hayek, die in dat verband niet het primaat van de economie verdedigt maar wel dit van de beschavingswaarden: "Het is niet zó dat alles waarvan economisten beweren dat het efficiënt is, daarom ook juist is. Economische analyse kan echter wel de nuttigheid aantonen van praktijken waarvan we tot dusver dachten dat ze juist waren - nuttigheid vanuit het perspectief van elke filosofie die afwijzend staat ten opzichte van het menselijke lijden dat het gevolg zou zijn van het ineenstorten van onze beschaving."
Hayek aanvaardt als democraat de regel dat slechts wet is wat als zodanig door de meerderheid wordt aanvaardt, maar dat wil nog niet zeggen dat die wet daarom ook rechtvaardig en goed is: De meerderheidsregel vormt een goede methode om te beslissen, maar is geen autoriteit ten aanzien van de inhoud van die beslissing. Vanwege de beperkte vermogens van onze geest, zegt Hayek, zullen onze onmiddellijke doeleinden altijd onevenredig belangrijk lijken en we zullen geneigd zijn onze lange-termijn-principes daaraan op te offeren. De democratie neigt ertoe zichzelf op te heffen. De zwakte van ons democratisch bestel is dat de behoeften van het moment altijd de doorslag zullen geven, zeker omdat de meerderheid van lang geleden geen macht meer heeft om haar principes afdwingbaar te maken.
Kortzichtige politici kunnen traditionele waarden ongestraft overboord gooien van zodra in de maatschappij de consensus over deze waarden en instituties is verdwenen. Op het ogenblik dat een hoogmoedige generatie niet meer bereid is de morele traditionele waarden overeind te houden, stort alles in. Ook, zo stelt Hayek, de vrije markteconomie.
"Ik ben het eens met Hayek," zei laissez-faire-economist Milton Friedman (geb. 1912), Nobelprijswinnaar voor economie in 1976, in een interview (Forbes, 12 december 1988). "Persoonlijk verkies ik om morele redenen de vrije markteconomie, maar ik ben wel van mening dat de enige reden waarom ze overleeft haar materieel succes is. Emotioneel neigen de meeste mensen veeleer naar socialisme. Een van de dingen die me bijzonder dwars zitten is dat ik ervan overtuigd ben dat een vrije economie een noodzakelijke voorwaarde is voor een democratische samenleving, maar dat ik er tevens van overtuigd ben dat bewezen kan worden dat een democratische samenleving, eens ze bestaat, de vrije markteconomie vernietigt." De mens neigt van nature naar afgunst, het steekt hem de ogen uit wanneer een ander meer heeft dan hijzelf. Het socialisme komt aan dit gevoelen tegemoet, het is dé geknipte ideologie voor wat Marcel Van Meerhaeghe heel toepasselijk de afgunstmaatschappij noemt.
In een sterke democratie - de enige die op termijn kan overleven - moet de macht van de tijdelijke meerderheid ondergeschikt zijn aan traditionele waarden en instellingen. Daarom moeten we ons, ongeacht de behoeften van het moment en de meerderheid van het ogenblik, onderwerpen aan algemene principes.
Het gaat, zegt Hayek in Thinking about America, om "certain traditional and largely moral practices, many of which men tend to dislike, whose significance they usually fail to understand and whose validity they cannot prove" maar die niettemin verantwoordelijk zijn voor "the comparative increase of population and wealth of those groups that happened to adopt them."
Hayek spreekt zich niet expliciet uit over de inhoud van de culturele tradities (behalve op het domein van de economie waar hij het heeft over "the extended order of human cooperation, an order more commonly, if somewhat misleadingly, known as capitalism") maar het is duidelijk dat onze Westerse beschaving het resultaat is van de joods-christelijke erfenis, en dus niet aan deze joods-christelijke erfenis voorbij kan gaan zonder de tak af te zagen waarop zij zelf zit. Dáár waar onze beschaving voor het eerst met het joods-christelijke erfgoed heeft gebroken, m.n. tijdens de Franse Verlichting, is voor Hayek ook de ontsporing - het noodlottige constructivisme - begonnen.
De Franse Revolutie van 1789 ligt aan de basis van zowel socialisme-communisme als fascisme-nazisme als alle andere totalitaire constructivismen of hoogmoedige pogingen om een nieuwe maatschappij en een nieuwe mens te scheppen. De Franse Revolutie bracht de doodsteek toe aan het liberalisme zoals Hayek dat ziet. De enige Westerse landen die aan de invloed van de Franse Revolutie ontsnapt zijn, m.n. Groot-Brittannië en vooral de Verenigde Staten, zijn daarom de meest liberaal-kapitalistische en de meest conservatieve gebleven. Daarom ook dat Hayek, geboren in 1899 in Wenen, in 1931 Oostenrijk verliet en uitweek naar Groot-Brittannië. Hij was niet de enige. Zijn stadsgenoot Karl Popper verliet Oostenrijk in 1937. Isaiah Berlin, geboren in Riga in Letland, emigreerde eveneens naar Groot-Brittannië waar hij net als Hayek en Popper hartstochtelijk de liberale waarden van zijn nieuwe vaderland omhelsde.
Hoe kwam het dat vooral emigranten uit Centraal- en Oost-Europa na de Tweede Wereldoorlog in het Westen de grondleggers van het neo-liberalisme (neo-conservatisme) werden en vandaag diegenen zijn die het felst waarschuwen voor de ondergang van de Westerse samenleving? Omdat, aldus Hayek, de na-oorlogse situatie in West-Europa bijzonder goed op de vooroorlogse in Midden-Europa lijkt: Wanneer niemand nog bereid is de beschavingswaarden te verdedigen is een maatschappij rijp voor het totalitarisme. Hitler kreeg een kans in Duitsland enkel en alleen omdat het liberalisme er al dood was "and it was socialism that had killed it." Men behoeft geen profeet te zijn om dreigend gevaar te onderkennen, stelt Hayek, wanneer men gelijkaardige situaties als eens eerder meegemaakt heeft. De zintuigen zijn dan bijzonder gescherpt en de verschijnselen krijgen een nieuwe betekenis als symptomen van een bepaalde tendens.
Met de teloorgang van de joods-christelijke waarden is ook bij ons vandaag de belangrijkste dam tegen totalitaristische politieke hoogmoed verdwenen. Centraal in de joods-christelijke visie staat de idee van de erfzonde, het feit dat de mens een "gevallen" wezen is dat sinds zijn val "van nature" naar het kwade neigt.
Men vindt die gedachte ook terug bij neo-conservatieven en neo-liberalen. In het boek De Engel en het Beest: Opstellen over politiek trekt Frits Bolkestein, de leider van de Nederlandse liberale VVD, van leer tegen hoogmoed in de politiek: De progressieve intellectuelen van '1968' en hun volgelingen beweerden een nieuwe heilsboodschap te brengen voor de samenleving, maar hebben in werkelijkheid de psyche van de Nederlandse samenleving verminkt, aldus Bolkestein. Ze hielden ons voor dat de mens in beginsel goed is en indien hij dat niet is, dit geheel de schuld is van opvoeding en omstandigheden. In de beweging van '1968,' zegt Bolkestein, is een in Nederland steeds gekoesterd beginsel uit de Heidelbergse catechismus verloren gegaan, namelijk dat de mens geneigd is tot het kwaad.
Juist omdat elke mens van nature tot het kwade neigt, verdedigen neo-conservatieven de democratie. Zij willen de macht van politici, zowel in tijd als in omvang, zoveel mogelijk beperken omdat ze ervan overtuigd zijn dat eenieder die macht heeft, deze macht vroeger of later zal misbruiken. Politici die beweren dat dit hen niet zal overkomen omdat zij moreel rechtschapener zijn dan anderen maken zich net zoals politici die beweren dat zij een betere kijk op de dingen hebben dan anderen, schuldig aan hubris.
De macht van politici moet zo beperkt mogelijk zijn en ook de invloed van de politiek op de samenleving moet zo klein mogelijk zijn. Ontwikkelingen in de samenleving dienen vooral spontaan te gebeuren zonder overheidsingrijpen. Deze spontane, organisch gegroeide orde wordt door de Schotse liberaal Adam Smith (1723-1790) de "Great Society," door de katholieke Frans-Amerikaanse filosoof Jacques Maritain (1882-1972) de "Civil Society" en door de Oostenrijks-Britse neo-liberaal Karl Popper (geb. 1902) de "Open Society" genoemd.
Michael Novak wees er in het februarinummer van Nucleus op dat de gelijkenissen tussen de politieke filosofie van Maritain en Hayek bijzonder groot zijn. Zoals Prof. Frans Alting von Geusau in het aprilnummer van Nucleus schreef is een van de uitgangspunten van Maritains civil society deze dat de overheid de morele waarden niet van bovenaf mag opleggen omdat men dan vervalt in een vorm van christelijk totalitarisme (morele waarden moeten integendeel door de basis gedragen worden en voortkomen uit innerlijke overtuiging). Hayek zegt hetzelfde op een andere manier: volgens hem komt het er vooral op aan te verhinderen dat de overheid van bovenaf de traditionele waarden bij de basis ondermijnt. Het is juist dit laatste wat vandaag op grote schaal gebeurt en wat Hayek socialistisch noemt. Aan deze socialistische ingesteldheid is met het failliet van de communistische regimes in Oost-Europa geen einde gekomen.
Het socialisme waarover Hayek zich zorgen maakt, zo beklemtoont Filosofen van het Hedendaagse Liberalisme, "is geen partij-aangelegenheid maar een bepaalde denktrant die hij aanwezig acht bij vrijwel alle mensen met enige invloed op de ontwikkelingen, ongeacht hun politieke kleur." Eén van zijn belangrijkste werken - The Road to Serfdom - heeft hij dan ook opgedragen aan de socialisten van alle partijen!
Deze socialisten vindt men vandaag ook in de liberale politieke partijen terug. De "liberale" partij van Duitsland (FDP) is volgens Hayeks terminologie helemaal niet liberaal, veeleer socialistisch. De Britse "liberalen" zijn evenmin liberaal; wél liberaal is het conservatisme van Thatcher. Ook een belangrijke vleugel binnen de Vlaamse PVV (Herman-Michielsens en co.) is helemaal niet liberaal in de betekenis van Hayek.
De vrijheid die neo-liberalen verdedigen is immers geen ongebonden vrijheid. Dat hebben zowel Isaiah Berlin als Michael Polanyi aangetoond. Berlin stelt dat alle gangbare vrijheidsbegrippen zich op twee manieren laten benaderen, respectievelijk aangeduid als negatief en positief. Negatieve vrijheid typeert hij als afwezigheid van dwang: vrijheid in deze betekenis verwijst naar een zeker gebied waarbinnen het individu ongehinderd door anderen en de overheid zijn gang kan gaan. Positieve vrijheid is zelfbeschikking: je besluit zelf wat er met je zal gebeuren. Het is duidelijk dat deze twee benaderingen van het vrijheidsbegrip elkaar niet uitsluiten, zij benadrukken alleen twee verschillende aspecten ervan. Berlin wees er echter op dat hoewel hun respectievelijke uitgangspunten in logisch opzicht niet ver uiteen liggen, deze twee vrijheidsbegrippen historisch een zodanige ontwikkeling hebben doorgemaakt dat zij twee geheel tegengestelde en onverenigbare dingen gingen inhouden.
Uit de geschiedenis blijkt immers dat wanneer positieve theorieën van vrijheid in de politieke praktijk werden toegepast (doordat de overheid er actief voor ging zorgen dat de ruimte voor zelfbeschikking werd geschapen) zij meestal neerkwamen op onderdrukking van het individu. Dergelijke "vrijheid" was vaak slechts een poging om een autoritaire doctrine te legitimeren, aldus Berlin, terwijl vrijheid in haar negatieve variant daarentegen bijna altijd verbonden bleef met haar eigenlijke betekenis. Berlins bewering is geen ideologische opvatting maar een feitelijke observatie. Bij verschillende gelegenheden heeft hij het empirische karakter ervan benadrukt. Marxistische filosofen (en theologen) gebruiken de termen "vrijheid" en "bevrijding" altijd in deze positieve variant.
Voor neo-liberalen is vooral de negatieve variant belangrijk (vrijheid als een zo ruim mogelijke afwezigheid van dwang door de overheid). Ze wijzen op de gevaren van de positieve variant (vrijheid als mogelijkheid om te doen wat je wil). Vrijheid verslindt immers, net als democratie en pluralisme, zichzelf wanneer ze niet geplaatst wordt binnen een overkoepelende traditie (we wezen hier reeds eerder op in onze discussie met Herman Van Rompuy in het januarinummer van Nucleus). De mens dient immers rekening te houden met de traditionele beschavingsnormen. Slechts op die manier kan hij volledig gebonden zijn en toch geheel vrij - in de door Berlin aangegeven positieve betekenis van de term.
Michael Polanyi, net als Hayek en Popper geboren in het voormalige Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk en in de jaren derig naar de VS uitgeweken, maakt het gebonden karakter van vrijheid duidelijk in zijn boek The Logic of Liberty. Het liberalisme, zegt Polanyi, is een sociale filosofie die zowel het individu als de maatschappij als de evolutie tot haar recht laat komen.
Normenloos individualisme is volgens Polanyi geen kenmerk van het liberalisme maar juist van het socialisme. Hij wijst bijvoorbeeld op het feit dat het socialisme niet gekant is tegen morele ongebondenheid in het privé-leven. Integendeel, het socialisme is "ultra-liberaal" wat morele zeden betreft. "Het privé-leven," zegt Polanyi, "was in de Stalinistische Sovjet-Unie in zekere zin vrijer dan in het Victoriaanse Engeland." Het waren de communisten die onmiddellijk na de Russische Revolutie instellingen zoals het huwelijk afschaften en als eersten echtscheiding en abortus legaliseerden.
Het is er het socialisme, volgens Polanyi, niet om te doen om het individu in zijn privé-leven aan banden te leggen, maar wel om het gehele publieke leven - politiek, economie en cultuur - door de overheid te regelen. Socialisten gunnen het individu in strikt privé-aangelegenheden volledige vrijheid, zelfs van elke morele inhibitie. Buiten de zuivere privé-sfeer echter wil het socialisme het hele publieke leven en élke inter-individuele relatie (zelfs relaties zoals die tussen ouders en kinderen), onderwerpen aan regulering door de overheid.
Het liberalisme daarentegen wil juist het omgekeerde: een openbaar leven waarin mensen zonder overheidsinmenging vrij hun betrekkingen kunnen regelen en waarbij ze alleen rekening moeten houden met het normenpatroon van de beschaving waarin ze leven en bij de gratie waarvan ze over hun vrijheid kunnen beschikken. De vrijheid heeft immers een logica en deze moet gerespecteerd worden. Al te vaak wordt dit laatste vandaag over het hoofd gezien.
